Stijlen
Hoe de heg er na verdichting uitziet
Binnen het hegverdichten (hetzij via leggen, kruizen, buigen, knikken, tuynen, of andere technieken) wordt ook gesproken over ‘stijlen’. Dit betreft dan de verschijningsvormen van de heg, ofwel: hoe de heg eruit ziet na de verdichting. In de beginjaren van de herintroductie van het heggenverdichten in Nederland (Nationaal Stimuleringsproject Gevlochten Heggen, Hagen en Houtwallen, door Stichting wAarde en Vereniging Das en Boom, 1999-2004) is veel gezocht naar zogenaamde ‘stijlen’. In Engeland worden tijdens de nationale kampioenschappen heggenleggen, ieder jaar eind oktober, verschillende streekstijlen uitgevoerd. Vaak wordt aangenomen dat dergelijke verschillen in verdichtingsstijl ook op het vaste land van Europa te vinden zijn. Iedere streek heeft haar eigen kenmerken en misschien zelfs eigen rassen vee die weer anders met een heg omgaan. Dit zou moeten leiden tot verschillende verschijningvormen (stijlen) verspreid over Europa.
Ik heb zelf, en bijvoorbeeld Georg Müller, Europees heggenexpert en schrijver van het standaardwerk Europas Feldeinfriedungen (2013) evenmin, geen streekgebonden verschillen gevonden binnen Europa, uitgezonderd de stijlen binnen de gelegde heggen in Engeland. De meeste heggen werden heel pragmatisch verdicht, en dan waarschijnlijk enigszins aangepast aan het specifieke doel of veetype en ras. Zo willen schapen graag onder de heg door, en runderen er graag overheen. Vroegere boeren hebben de wijze van verdichten aldus aangepast aan hun eigen vee, en mogelijk ook aan nog andere wensen. Zo speelden uitstraling en prestige een belangrijker rol naarmate de heg zich dichterbij het woonhuis bevond. Hier tref je ook nu dan nog steeds de wat nettere heggen, in sommige gevallen kruisheggen. Maar bovenal diende de heg een praktische functie binnen het plaatselijke landbouw- en veeteeltsysteem.




Geen wezenlijke verschillen tussen de heggen aan de grote rivieren
Goed voorbeeld zijn de heggen in de uiterwaarden van grotere rivieren. Deze heggen staan in het overstromingsgebied en meestal ontbreken hier wallen of greppels. De heggen dienden als brandhoutleverancier, afbakening van de hooilanden en een korte tijd van het jaar als veekering. Overal langs grotere rivieren in Europa met een overstromingsvlakte vind je deze heggen. Ook zijn overal sporen van verdichting te vinden; knikken en buigen in één, twee, drie of meer lagen en naar één of twee zijden verdicht (bij heggenleggen worden alle struiken naar één kant opgelegd, bij andere technieken komt het regelmatig voor dat er twee kanten op gebogen of geknikt wordt). Daarbij zijn er geen wezenlijke verschillen tussen Maas, Rijn, IJssel, Elbe, Loire of Po. De term ‘Maasheg’ zegt dus alleen iets over haar standplaats, langs de Maas, niets over de wijze van verdichten want deze verschilt weinig van die in de heggen langs de andere grote rivieren in Europa. Verschil is wel te vinden in de samenstelling van de soorten (struiken) die gebruikt zijn, maar deze zijn gebonden aan klimaat en groeiplaats.
Hoe komt een heg aan haar naam?
Om heggen toch van elkaar te kunnen onderscheiden, worden heggen vernoemd naar de toegepaste verdichtingstechniek en uiterlijke kenmerken zoals het aantal lagen en richting(en). Georg Müller heeft in zijn standaardwerk over veldafscheidingen (Europas Feldeinfriedungen, 2013) een schema opgenomen met deze verdeling.
