Graslanden

Graslanden: geef het de tijd en houd je aan het plan!

In de streek waar ik woon, Rijk van Nijmegen en omgeving, beheer ik enkele graslanden, grasstroken en bermen. Ik beheer deze graslanden op uiteenlopende manieren al heeft dit beheer op enkele plaatsen geen werkelijk hoge doelen vanwege recreatiedruk (hondenuitlaat) en beperkte oppervlakte. Desalniettemin kan juist beheer ook op deze ‘mindere’ graslanden tot verhoogde biodiversiteit leiden.

Meer soorten door verschraling

Het beheer wordt bij voorkeur met een agrarisch doel (hooi of strooisel) gevoerd maar dit wordt ook bepaald door de kwaliteit en de mogelijkheid daadwerkelijk met dit agrarische doel te kunnen oogsten. De graslanden op de Koeietuin worden met uitzondering van twee perceeltjes (de zogenaamde griend en het knotbomenbosje) begraasd door de runderen van boer Stan. De koeien komen tweemaal per jaar en worden dan weide voor weide omgeweid. Zodoende eten ze niet eerst al het lekkere in het 1,5 hectare grote terrein, maar wei na wei het beschikbare voedsel op. In de 10 jaar dat ik nu (2024) de Koeietuin beheer graasde een kudde van 250 schapen in de eerste jaren vroeg in de winter na. Op die manier gaan de grassen en kruiden kort de winter in. Begrazing is een belangrijke beheersmaatregel tegenover maaien. Door begrazing ontstaat een meer gevarieerd grasland met veel microreliëf en variatie in hoogte van begroeiing.

Andere graslanden die ik beheer worden wel gemaaid en het maaisel met nadruk afgevoerd. Door maaien en afvoeren – verschraling genaamd – kun je voedselrijkere graslanden omvormen naar een meer kruidenrijk grasland. Door verschraling ontstaan meer kansen voor verschillende bloeiende planten. De eerste jaren waarin ik graslanden beheer, richt ik dat beheer vooral op verschraling. Dat betekent drie maaibeurten in het groeiseizoen, bij voorkeur in (eind) mei, juli en september/oktober. Als het betreffende grasland zich gaat ontwikkelen (er komen meer kruiden) komt een moment om over te stappen naar twee keer per jaar een maaibeurt. Afvoeren van het maaisel blijft wel essentieel om het doel van verschraling, en dus een grotere soortenrijkdom, te bereiken.

Als het maai- en afvoerbeheer langjarig volgens plan is uitgevoerd kan een moment komen dat  overgegaan wordt naar zogenaamd ‘sinusbeheer’. Hierbij worden graslanden in fases gemaaid (en ook dan wordt het maaisel afgevoerd). Variëren in één tot drie keer of helemaal niet maaien levert dan nog meer variatie in het grasland op en zodoende een hogere biodiversiteit. Dit sinusbeheer wordt pas recentelijk toegepast en wordt als zodanig nog als een innovatieve beheersmaatregel beschouwd. Echter, eind jaren 1990 startte ik al met wat ik toen ‘vlekkenbeheer’ noemde op graslanden rondom de Wylerberg te Beek, waar Vereniging  Das en Boom haar kantoor had. Daarna leverde ik 17 jaar (2005 – 2022) een bijdrage aan het beheer van bloemrijke dijken in de Ooijpolder door daar perceeltjes te maaien en af te voeren waar grote machines niet konden komen. Helaas heeft men de Ooijsebandijk gebruikt om te experimenteren met beheer (afwisselend schapenbegrazing, van twee naar één keer maaien en afvoeren per jaar, helemaal niet afvoeren, enzovoorts). Deze wisselingen in beheer werken averechts op de biodiversiteit, niet omdat de maatregelen als zodanig niet goed zouden kunnen zijn maar omdat ze ieder jaar ánders zijn.

Liever langjarig elk jaar dezelfde ‘fout’ dan elk jaar een andere ‘fout’

Graslanden hebben baat bij een langjarig consequent beheer zodat zij zich kunnen ontwikkelen.
Dit geldt overigens voor alle landschapsbeheer: liever langjarig ieder jaar dezelfde ‘fout’ dan ieder jaar een andere ‘fout’.  
Voor alle graslanden kan een plan opgesteld worden om een hogere biodiversiteit te bereiken, al zal dit niet op álle plaatsen lukken.
Ik heb de voorkeur om graslanden zich rustig te laten ontwikkelen en niet bij voorbaat te proberen, met bijvoorbeeld zaadmengsels, snel een mooi plaatje te creëren. Mijn advies: geef het de tijd en houd je aan het plan.

Scroll naar boven